Het kleine noorden van Chili
Na een paar gezellige dagen in Santiago gingen we op weg naar het noordelijke deel van onze reis. De eerste nacht zijn wij aangekomen in de dure en te toeristische kustplaats, La Serena. La Serena is te vergelijken met het Europese Mallorca waar veel mensen hun vakantie doorbrengen. Het Spaans aandoende stadje was dan ook druk en gezellig met veel restaurantjes, barretjes en souvenirsshops. La Serena is in onze ogen één van de mooiste steden in Chili en een echte aanrader voor een strandvakantie.
Een nadeel voor ons was dat er in La Serena geen camping te vinden was. Aangezien wij geen zin hadden om allerlei hotels en hostals bij langs te gaan, (omdat we niet gereserveerd hadden), hebben wij de nacht een stukje noordelijker doorgebracht in de natuur. Daar vonden wij een mooie berghelling met uitzicht op zee en een paard. Na even rondkijken vonden we zelfs een soort provisorisch toilet in de natuur (een emmer met een wc-deksel) waar we heel blij mee waren, omdat we ons beide nog steeds niet lekker voelden.
De volgende dag kwamen de dorpjes Vallenar en Copiapo aan de beurt. Rondom Copiapo vonden we een grote lege camping, maar helaas bleken deze mensen geen interesse in toeristen te hebben en probeerden ons met een flauwe smoes weg te krijgen. Niet elke Chileen blijkt dus gastvrij te zijn. Gelukkig vonden we in Copiapo wel een aardige openbare zwembadeigenaar die ons een kampeerplekje aanbood bij zijn zwembad. Een rare ervaring om ´s avonds de enigste te zijn bij een verlaten zwembad.
In Copiapo kwamen wij op een tweesplitsing en moesten we kiezen; verder noordelijk langs de kust of weer over de bergen van de Andes. Onze voorkeur ging uit naar de bergen van de Andes, omdat deze al de gehele reis de mooiste landschappen heeft laten zien. Ons plan was om eerst naar de hoogste vulkaan ter wereld, de Ojos del Salado (6891m) te rijden en daarna te overnachten aan de laguna Verde bij het basis kamp voor de beklimmers van de Ojos. Dit liep even anders. De mooi weg van zand, leem en zout bleef maar klimmen en klimmen en eenmaal aangekomen bij Laguna Verde bleken wij ons op een hoogte van 4.500 meter te bevinden. Vanaf zo´n 2.500 tot 3.000 meter kan je al last krijgen van hoogteziekte door de ijle lucht. Tijdens het rijden kregen we al wat meer last van de hoofdpijn en duizeligheid. Na een korte pauze bij Laguna Verde werd de hoofdpijn alleen maar erger. Een gids wist ons te vertellen dat het voor ons niet echt slim was om te overnachten op circa 4.500 m hoogte en dat je er bijna niet kan slapen door de hoofdpijn die alleen nog maar erger zou worden. Aangezien de weg terug veel hobbels en kuilen bevatte en de hoofdpijn al erg genoeg was hadden we besloten om toch maar af te dalen zover we konden. Tegen het invallen van de nacht bereikten wij het douanekantoor van Chili, nog steeds op een hoogte van circa 3.500 meter. Hier konden we de nacht doorbrengen in het eenvoudige hospitaal van het douanekantoor, er stond een bank en een behandeltafel. Omdat het op deze hoogte ´s nachts kan vriezen was dit voor ons een betere optie dan slapen in de tent of auto.
Na een onrustige nacht op de altiplano en met lichte hoofdpijn zijn we afgedaald richting de kust. Daar was het nationaal park Caleta Pan de Azucar waar meerdere campings liggen. Typisch voor een Chileense camping is dat er zeeën van ruimte is, maar dat de plaatsen genummerd zijn. Zo heb je dus op een 3 kilometer strand maar plaats voor 53 kampeerders en die waren natuurlijk allemaal vol. Na even zoeken hebben we een rustig stukje gebergte gevonden aan een wit zandstrand waar bijna niemand kwam, een mooie plaats voor een overnachting.
Reacties
Reageer
Laat een reactie achter!
- {{ error }}